Vrijstelling voor asbest dakafval gehandhaafd

22 juni 2019

Per 1 januari 2019 is een vrijstelling in de afvalstoffenbelasting opgenomen voor afzonderlijk aangeboden asbest en asbesthoudende producten die toegepast zijn geweest als dakbedekking . Deze vrijstelling ondersteunt de doelstelling van het - recent door de Eerste Kamer verworpen - wetsvoorstel om een verbod in te stellen op asbestdaken per 1 januari 2025.

Door Kamerlid Stoffer (SGP) zijn op 17 april 2019 kamervragen gesteld over de toepassing van deze vrijstelling. Aanleiding was het signaal vanuit de branche dat stortplaatsen problemen hadden met de uitvoering van de vrijstelling vanwege het feit dat zij als belastingplichtige risico lopen voor eventuele naheffingen als de vrijstelling achteraf ten onrechte blijkt te zijn toegepast. Vanuit de branche werd er daarom voor gepleit om de vrijstelling te vervangen door een teruggaafregeling. Daarmee zouden de stortplaatsen niet alleen geen risico meer lopen voor eventuele naheffingen maar ook de administratieve lasten van de uitvoering van deze vrijstelling niet meer dragen.

Op 13 juni 2019 antwoordde Staatssecretaris Snel dat hij wil vasthouden aan de systematiek van de vrijstelling maar wel bereid is tot overleg met de branche over hun zorgen. Hij heeft overigens zelf volstrekt onnodig bijgedragen aan de zorgen van de stortplaatsen. Het viel ons  op dat hij de belastingwet op dit punt eerder onzorgvuldig weergaf. In de toelichting op de wijziging van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag heeft hij namelijk gesteld dat als een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf een onjuiste verklaring afgeeft, de inspecteur de naheffingsaanslag kan opleggen aan dat asbestverwijderingsbedrijf. Het woordje “kan” impliceert een keuzevrijheid van de Inspecteur, terwijl de belastingwet een verplichting kent om de naheffing op te leggen aan een ander dan de belastingplichtige in gevallen waarin, door het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door die ander, te weinig belasting is geheven. De Staatssecretaris is ditmaal zorgvuldiger in zijn bewoordingen en maakt duidelijk dat de belastingplichtige stortplaatsen geen risico lopen in gevallen waarin het ten onrechte toepassen van de vrijstelling alleen toe te rekenen is aan de onjuiste verklaring van het asbestverwijderingsbedrijf. In dat geval wordt de naheffing aan het asbestverwijderingsbedrijf opgelegd. In andere gevallen kan en zal de naheffing echter wel aan de stortplaats als belastingplichtige worden opgelegd.

De Staatssecretaris memoreert verder dat het voorgestelde verbod op asbestdaken per 2025 op 4 juni jl. is verworpen door de Eerste Kamer. Dat dit verbod op asbestdaken (vooralsnog) niet doorgaat, betekent echter niet dat de vrijstelling in de afvalstoffenbelasting automatisch van de baan is. Zonder wetswijziging blijft deze vrijstelling gelden.