Toepassing verlaagd EB-tarief postcoderoosregeling rammelt

22 juni 2016

Sinds de invoering in 2014 zijn inmiddels 27 aanvragen om de postcoderoosregeling te mogen toepassen door de belastingdienst goedgekeurd, zo blijkt uit recente informatie van het Ministerie van Economische Zaken. Op basis van deze regeling komen leden van een coöperatie (dan wel een VvE), onder voorwaarden, in aanmerking voor het verlaagde EB-tarief over de aan hen toegerekende productie van duurzaam opgewekte elektriciteit. Wij hebben geconstateerd dat het effectueren van het verlaagde EB-tarief voor energieleveranciers bepaald geen sinecure is omdat de regeling rammelt.

Aanvankelijk is een energieleverancier onverkort EB verschuldigd over de elektriciteit die hij aan een coöperatielid levert. Pas nadat de energieleverancier van de coöperatie een opgaaf van de aan het lid toegerekende productie heeft ontvangen, kan alsnog het verlaagde EB-tarief worden toegepast. Wie wil uitzoeken hoe dit laatste precies dient te gebeuren, zowel richting lid als richting belastingdienst, mag zich voorbereiden op het bestuderen van weerbarstige materie die de hersenen doet kraken.

Situaties waarin productieperiode niet precies samenvalt met verbruiksperiode

Coöperaties dienen een productieperiode van 12 kalendermaanden te hanteren, welke periode zij zelf mogen vaststellen. Energieleveranciers dienen in beginsel uit te gaan van een verbruiksperiode van 12 maanden, die echter ook korter of langer kan zijn (bijvoorbeeld voor nieuwe en vertrekkende klanten). In de praktijk zal het weinig voorkomen dat de verbruiksperiode precies samenvalt met de productieperiode. Als de verbruiksperiode bijvoorbeeld loopt van 1 juli tot 1 juli en de productieperiode gelijk is aan het kalenderjaar, dan valt de productieperiode in twee verbruiksperioden.

Op zulke situaties sluit de tekst van artikel 21b, lid 1, UBbm, waarin is geregeld op welk tijdstip, op welke wijze en voor welke hoeveelheid elektriciteit het verlaagde EB-tarief dient te worden toegepast, naar onze mening niet goed aan. Wij hebben de volgende oorzaak hiervan gevonden.

Het wetsvoorstel Belastingplan 2014 bevatte aanvankelijk het voorschrift dat de verbruiksperiode gelijk werd gesteld aan de productieperiode. Bij nota van wijziging is dit voorschrift losgelaten. Daarbij lijkt de wetgever zich niet te hebben gerealiseerd dat de wijziging van de aanvankelijk voorgestelde wettekst noopte tot een wijziging van de tekst van artikel 21b, lid 1, UBbm, welke tekst vermoedelijk reeds was geformuleerd om aan te sluiten bij de aanvankelijk voorgestelde wettekst.

Aldus is thans in veel gevallen onduidelijk hoe het verlaagde EB-tarief op basis van de wettelijke regeling in de praktijk moet worden geëffectueerd.

Verder merken we op dat het beleidsbesluit BLKB 2015/370M in paragraaf 4.3.2 "Tijdstip toepassing verlaagd tarief" een goedkeuring bevat waarvan de suggestie uitgaat dat deze enkel betrekking heeft op het tijdstip waarop het verlaagde EB-tarief mag worden toegepast. Wij komen echter tot de conclusie dat deze goedkeuring ook een andere systematiek voor toepassing van het verlaagde EB-tarief kent dan de wettelijke regeling.

Commentaar

Om de uitvoering van de postcoderoosregeling voor energieleveranciers  niet nodeloos te compliceren dienen diverse onduidelijkheden te worden weggenomen. Naast een aanpassing van het Uitvoeringsbesluit verdient het aanbeveling om de toelichting in het Handboek milieubelastingen uit te breiden met betere voorbeelden.

Energieleveranciers doen er vooralsnog goed aan om grondige aandacht te besteden aan de wijze waarop zij uitvoering (gaan) geven aan de postcoderoosregeling c.q. het verlaagde EB-tarief.